Hof van Justitie: Unierecht verzet zich niet tegen overmaken persoonsgegevens inbreukmakers aan auteursrechthebbenden

Posted on 27/04/2012 door

0


Het onrechtmatig uitwisselen van auteursrechtelijk beschermde werken via het Internet komt weer eens aan bod in de rechtspraak van het Hof van Justitie. In een arrest van 19 april 2012 besliste het Hof dat een nationale regeling, waarbij de auteursrechthebbenden persoonsgegevens kunnen krijgen mits naleving van een aantal voorwaarden, niet strijdig is met een aantal bepalingen van het Unierecht.

Een gebruiker van de Zweedse FTP-provider ePhone had volgens Bonnier Audio en andere uitgevers 27 luisterboeken zonder hun toestemming voor het publiek toegankelijk gemaakt. Daarom richten zij een verzoek tot het gerecht van eerste aanleg te Solna om de mededeling te bekomen van naam en adres van de persoon die de betrokken bestanden heeft doorgegeven.

Het gerecht van eerste aanleg heeft dit verzoek toegewezen. Ephone liet het hier niet bij en stelde hoger beroep in. Het verzocht tevens dat het hof van hoger beroep een prejudiciële vraag zou stellen aan het Hof van Justitie. De rechter in hoger beroep ging niet in op dit laatste verzoek, maar vernietigde wel het bevel tot mededeling van de persoonsgegevens omdat er volgens hem geen duidelijk bewijs van een inbreuk op een intellectueel eigendomsrecht werd overgelegd. Bonnier Audio en de andere uitgevers stelden een hogere voorziening in. De gevatte rechter stelde vervolgens twee prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie.

Richtlijn 2006/24/EG (“Gegevensbewaringsrichtlijn”), die een harmonisatie tot stand wil brengen van de verscheidene nationale regelingen in de Europese Unie met betreffende het bewaren van persoonsgegevens door internetproviders inzake ernstige criminaliteit, is het centrale voorwerp van de prejudiciële vragen.

Het Hof stelt dat de Gegevensbewaringsrichtlijn niet van toepassing is op deze zaak. Deze richtlijn heeft volgens het Hof namelijk enkel betrekking op de verwerking en de bewaring van persoonsgegevens door onder meer internetproviders voor het onderzoeken, opsporen en vervolgen van ernstige criminaliteit en de verstrekking ervan aan de bevoegde nationale autoriteiten, en niet op de betwiste Zweedse wettelijke regeling. De betwiste regeling slaat immers op het overmaken van gegevens in het kader van een civielrechtelijke procedure om een inbreuk op intellectuele eigendomsrechten te doen vaststellen.

Hoewel het Hof van Justitie daarmee geantwoord heeft op de gestelde prejudiciële vragen, laat het Hof het hier niet bij, en onderzoekt het tevens of de betrokken bepalingen van de Zweedse regeling een juist evenwicht tussen de verschillende toepasselijke fundamentele rechten kunnen waarborgen.

Belangrijk hierbij is een eerder arrest van het Hof van Justitie, met name het arrest Promusicae, waarin verschillende bepalingen van de richtlijnen 2002/58/EG (“Richtlijn betreffende Privacy en Elektronische Communicatie”) en 2004/48/EG (“Handhavingsrichtlijn”) uitgelegd en toegepast werden. Het Hof herhaalt zijn rechtspraak waarin het stelt dat deze richtlijnen zich niet verzetten tegen het opleggen van verplichtingen door lidstaten om persoonsgegevens door te geven met het oog op de civielrechtelijke vervolging van inbreuken op het auteursrecht. Aan de andere kant verplichten deze richtlijnen niet dat de lidstaten dergelijke regeling moeten uitwerken.

Indien de lidstaten dergelijke regeling uitwerken, moeten zij er wel acht op slaan dat zij zich baseren op een uitlegging die het mogelijk maakt een juist evenwicht te verzekeren tussen de verschillende door de rechtsorde van de Unie beschermde grondrechten. Hierbij is onder meer het evenredigheidsbeginsel van belang.

Het Hof past vervolgens deze rechtspraak toe op de betwiste wettelijke regeling. Het Hof stelt vast dat de wettelijke regeling voorziet dat persoonsgegevens slechts kunnen worden medegedeeld indien duidelijke bewijzen van een inbreuk op een intellectueel eigendomsrecht op een werk zijn overgelegd, de gevraagde gegevens de opsporing van een inbreuk op het auteursrecht kunnen vergemakkelijken en het belang van de redenen voor dit bevel opweegt tegen de ongemakken of andere nadelen ervan voor degene tot wie het is gericht, of tegen enig ander daarmee strijdig belang. Dit stelt de nationale rechterlijke instantie dus in staat om de tegengestelde belangen af te wegen op basis van de concrete omstandigheden van de zaak en daarbij terdege rekening te houden met de uit het evenredigheidsbeginsel voortvloeiende eisen. In deze situatie kan dan ook worden aangenomen dat de betwiste wettelijke regeling in beginsel een juist evenwicht tussen de bescherming van de rechten van de auteursrechthebbenden en de bescherming van persoonsgegevens van een internetabonnee of -gebruiker kan waarborgen.

Kort samengevat is de Zweedse regeling dus in beginsel niet strijdig met het Unierecht. Eén van de voornaamste redenen daarvoor is dat de verscheidene in het geding zijnde belangen (de bescherming van de auteursrechthebbenden enerzijds en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van internetgebruikers anderzijds) in de procedure kunnen afgewogen worden door de rechter. Op dit vlak is dit arrest een verderzetting van eerdere arresten van het Hof van Justitie, waarbij het Hof stelt dat men bij de bescherming van het auteursrecht ook rekening dient te houden met andere rechtsnormen.

Wel moet opgemerkt worden dat het Hof ervan uit gaat dat de betrokken gegevens overeenkomstig de nationale wettelijke regeling, met inachtneming van artikel 15, eerste lid van de Richtlijn betreffende Privacy en Elektronische Communicatie, zijn bewaard. Dit artikel houdt in dat de lidstaten in een aantal gevallen wettelijke maatregelen kunnen nemen waarbij zij afwijken van onder meer het vertrouwelijk karakter van de communicatie. De verwijzende rechter zal in casu moeten nagaan of de persoonsgegevens in het geding bewaard zijn overeenkomstig de nationale wettelijke regeling, met inachtneming van artikel 15, eerste lid van Richtlijn betreffende Privacy en Elektronische Communicatie.

Net zoals in Zweden hebben auteursrechthebbenden ook in België overeenkomstig art. 86ter §3 Auteurswet de mogelijkheid tot het bekomen van persoonsgegevens ter identificatie van beweerde inbreukmakers. Zoals het Hof van Justitie nu bevestigt kan de Belgische rechter, na afweging van de concrete omstandigheden en belangen, op vraag van de auteursrechthebbende een tussenpersoon verplichten alle informatie over te leggen over de inbreukpleger.