Auteursrechten voor muziek in praktijkruimtes? Het Europees Hof van Justitie verduidelijkt de regels

Posted on 10/04/2012 door

0


Eén van de aanslepende discussies in het auteursrecht is de vraag of voor bepaalde vormen van gebruik van muziek door bedrijven of zelfstandigen (en vrije beroepers) in het kader van hun beroepsuitoefening al dan niet auteursrechten betaald moeten worden. Het Europees Hof van Justitie bracht onlangs met twee interessante arresten heel wat verduidelijking en maakt een duidelijk onderscheid tussen auteursrechten pur sang en de zogenaamde “naburige rechten” van bijvoorbeeld producenten van muziekwerken.

Voor het gebruik van muziek in voor het publiek toegankelijke ruimtes innen beheersvennootschappen sinds jaar en dag auteursrechtelijke vergoedingen. De auteurswet voorziet immers dat voor het “mededelen aan het publiek” (het publiek ten gehore brengen, zeg maar) van muziek in principe altijd de toestemming van de auteurs vereist is en dus ook een vergoeding betaald moet worden aan die auteurs (eventueel via de beheersvennootschap waar zij lid van zijn) Hierop geldt slechts één –streng geïnterpreteerde- uitzondering, met name het “mededelen” van muziek binnen de familiekring.

De vraag stelde zich in het verleden ook al of voor muziek op plaatsen die niet voor iedereen vrij toegankelijk zijn, zoals bijvoorbeeld de werkplaats in een autogarage of de bedrijfskantine, auteursrechten betaald moeten worden. In die gevallen is de muziek enkel te horen door de werknemers van het bedrijf en niet door “het publiek” (de klanten en de buitenwereld). Voor dergelijke gevallen werkten de beheersvennootschappen Sabam en Simim sinds 2009 een akkoord uit met het VBO dat bevestigt dat er wel degelijk auteursrechten verschuldigd zijn en welk hiervan het bedrag is (de zogenaamde Unisono vergoeding).

Naast de auteurs zelf hebben echter ook nog andere partijen een vorm van “auteursrechten”, die dan naburige rechten genoemd worden. Het gaat bijvoorbeeld om de uitvoerende kunstenaars (de muzikanten die muziek uitvoeren en zangers bijvoorbeeld) of de muziekproducenten, die opname en commercialisering van muziekwerken mogelijk maken. Deze muziekproducenten hebben een aantal “auteursrechten” die erg lijken op de rechten van de auteurs zelf, maar die toch aan een ander regime onderworpen zijn. Het verschil tussen beide rechten is onder meer dat het absolute recht dat we hierboven beschreven hebben voor de auteur om het publieke mededelingen van zijn werk toe te staan of te verbieden niet bestaat voor de producenten. Zij hebben wel in sommige gevallen recht op een vergoeding, maar hebben geen exclusief recht om publieke mededelingen toe te staan of te verbieden.

Eén en ander zorgt overigens geregeld voor verwarring bij gebruikers, die het gevoel hebben dat ze twee of drie keer moeten betalen “voor hetzelfde”, hoewel ze dus aan twee of drie verschillende partijen betalen voor twee of drie verschillende toestemmingen.

Het Europees Hof van Justitie kreeg recent de mogelijkheid om te verduidelijken wanneer deze houders van naburige rechten aanspraak kunnen maken op een vergoeding voor het gebruik van “hun” werken door bedrijven, zelfstandigen of vrije beroepers in het kader van hun professionele beroepsbezigheden. De twee voorgelegde problemen komen hierop neer:

  1. Moeten tandartsen rechten betalen aan de muziekproducenten voor de kosteloze uitzending van Dvd’s, mp3’s, … in hun tandartspraktijk ten behoeve van patiënten (het arrest leest u hier) en
  2. Moeten hoteluitbaters rechten betalen aan de muziekproducenten voor hotelkamers die uitgerust zijn met televisie- en/of Cd en mp3-spelers waarop ook films of muziekwerken ter beschikking gesteld worden (het arrest leest u hier).

In beide gevallen heeft het Hof duidelijk gesteld dat de haar voorgelegde vragen de naburige rechten van de muziekproducenten betreft en niet de auteursrechten van de auteurs zelf. Deze laatste zijn aan een ander regime onderworpen en beschikken over een absoluut recht om publieke mededelingen toe te staan of te verhinderen (en er een vergoeding voor te vragen), ongeacht de hieronder uiteengezette regels voor houders van naburige rechten.

In het eerste geval waren de onderhandelingen, tussen de SCF, een Italiaanse beheersvennootschap voor naburige rechten van muziekproducenten, en de beroepsorganisatie voor Italiaanse tandartsen over de hoogte van vergoedingen voor het afspelen van muziek in de tandartspraktijken, mislukt. Om de onderhandelingen opnieuw in beweging te trekken en een reactie uit te lokken dagvaardde de SCF één van de leden van de tandartsenvereniging omdat hij in zijn particuliere tandartspraktijk Cd’s afspeelde zonder daarvoor een billijke vergoeding te betalen aan de producenten van de muziek in kwestie.

In het tweede geval stelde PPL (een Ierse collectieve beheersvennootschap, vergelijkbaar met SABAM) dat Ierland de Europese wetgeving schond door exploitanten van hotels en pensions vrij te stellen van de verplichting een billijke vergoeding te betalen voor het gebruik van opgenomen muziekwerken in hotelkamers.

In het eerste arrest maakte het Hof duidelijk dat de vraag of al dan niet een billijke vergoeding voor naburige rechtenhouders verschuldigd is afhangt van individuele criteria, zoals:

  • De vraag of de gebruiker (hier de tandarts) met volle kennis van zaken en bewust toegang verschaft tot beschermde (muziek- of andere) werken.
  • Het publiek moet bestaan uit een onbepaald aantal potentiële luisteraars of kijkers. Hiermee wordt bedoeld dat de mededeling niet bedoeld mag zijn voor een besloten groep van personen (zoals de werknemers van een bedrijf of de patiënten van een tandarts). Het begrip publiek impliceert overigens volgens het Hof ‘een vrij groot aantal personen’ of een opeenvolging van kleine aantallen van personen.
  • Ook het winstoogmerk van de ‘mededeling aan het publiek’ is een relevant criterium in het kader van naburige rechten (maar is dat helemaal niet ten aanzien van de auteursrechten ‘pur sang’)

De analyse van het Hof leidt tot de vaststelling dat de Italiaanse tandarts in casu er weliswaar welbewust voor koos om beschermde werken uit te zenden, maar dat zijn patiënten geen publiek vormen volgens de hierboven omschreven criteria. De patiënten van de tandarts vormen een beperkte, besloten, groep die bovendien erg klein is.

Bovendien is het Hof van mening dat de uitzending van muziekwerken in een tandartspraktijk geen winstoogmerk vertoont omdat de gebruikte muziek weinig of geen invloed zal hebben op het zakencijfer van de tandarts in kwestie. Wanneer er geen winstoogmerk is, hebben de naburige rechtenhouders geen recht op vergoeding (maar opnieuw: dit criterium speelt niet voor de auteursrechtenhouders ‘pur sang’ en dus bijvoorbeeld voor de leden van Sabam in België, die ook bij niet-commercieel gebruik recht blijven hebben op een vergoeding).

In het tweede arrest verwijst het Hof naar de criteria opgesomd in het eerste arrest en oordeelt zij dat in de geschetste situatie er wél sprake was van een ‘mededeling aan het publiek’.

De hotelgasten kunnen volgens het Hof wél als een onbepaald aantal potentiële ontvangers worden aangemerkt, aangezien hun toegang tot de hoteldiensten in beginsel voortvloeit uit hun eigen keuze en slechts wordt beperkt door de opvangcapaciteit van het hotel. De hotelgasten vormen dus wel degelijk een publiek.

De hotelgasten zijn bovendien een ‘bewust gekozen’ en ‘ontvankelijke’ doelgroep. Ook kan het verschaffen van toegang tot de uitgezonden werken worden aangemerkt als een bijkomende dienst die van invloed is op de standing van het hotel en dus ook de prijzen van de kamers. Bovendien kan dit verschaffen extra hotelgasten aantrekken die in deze bijkomende dienst zijn geïnteresseerd. Hieruit blijkt dat er hier wél sprake is van een winstoogmerk en dus hebben de houders van naburige rechten daar wél recht op een vergoeding.
Noteer opnieuw dat de bovenstaande analyse niet zomaar mutatis mutandis opgaat voor de auteurs zelf en dat aan hen niet enkel in het laatste geval (bij hoteluitbaters) een auteursrechtelijke toestemming en vergoeding vereist zal zijn, maar dat dit in principe ook het geval zal zijn in praktijkruimtes van tandartsen en andere vrije beroepers.

Sabam heeft in dat licht in België overigens al kort na de beide uitspraken aangekondigd dat wat hen betreft beide arresten niets veranderen aan het auteursrecht voor hun leden, wat na analyse van beide arresten een correcte stellingname lijkt te zijn.

Wie muziek wil spelen in wachtruimtes, praktijkruimtes, bedrijfsruimtes, hotelkamers, fitnesscentra of andere “publieke” plaatsen zal dus nog steeds een vergoeding verschuldigd zijn aan de auteurs en muzikanten die die muziek gemaakt hebben (of aan de beheersvennootschap die hen vertegenwoordigt).

(Met dank aan Pieter Helewaut voor zijn erg nuttige inbreng)