Kroniek van een aangekondigde dood voor de soldenregeling

Posted on 04/01/2011 door

0


De strijd van kledingketen ZEB tegen de soldenwetgeving en vooral tegen de sperperiode gaat vandaag een nieuwe fase in.  Nadat ZEB in beroep ging tegen het stakingsverbod dat haar in december verbood om vroegtijdig solden aan te kondigen, besliste het hof van beroep nu om voorlopig geen uitspraak te doen en eerst aan het Europees Hof van Justitie te vragen of de Belgische solden- en sperperioderegeling wel in overeenstemming zijn met het Europese recht.

Waarom meent ZEB dat de Belgische soldenwetgeving in strijd is met het Europese recht?

België heeft sinds april 2010 een nieuwe Wet op de Marktpraktijken en de Consumentenbescherming (WMPC), die de aloude gekende Wet op de Handelspraktijken en de Consumentenbescherming (WHPC) vervangt.  De nieuwe wet werd door de Belgische regering met nogal wat bombardie aangekondigd als een vernieuwing van de bestaande regels om de bescherming van de consument aan te passen aan de noden van de veranderde samenleving, maar wat daarbij, zoals zo vaak, niet werd verteld is dat de ganse nieuwe wetgeving eigenlijk een vrij eenvoudige omzetting is van een Europese richtlijn (EG Richtlijn 2005/29) in Belgisch recht.  De Europese Unie legt de grote lijnen van de consumentenbescherming vast in Richtlijnen die door de lidstaten overgenomen moeten worden en waarbij aan de lidstaten slechts een al bij al erg beperkte manoeuvreerruimte gelaten wordt voor eigen initiatieven.

De oude Belgische WHPC was helemaal niet in overeenstemming met de Europese Richtlijn en dat was reeds gebleken nadat het Europees Hof van Justitie in 2009 had geantwoord op twee andere prejudiciële vragen van Belgische rechtbanken in het VTB-arrest en het Sanoma-arrest (Hof van Justitie 23 april 2009, zaak C-261/07, VTB-VAB tegen Total Belgium en C- 299/07 Galatea BVBA tegen Sanoma Magazines Belgium NV).  Beide arresten betroffen het toen in België geldende verbod op koppelverkopen.

 

Het Europees Hof van Justitie had in deze beide zaken zeer terecht opgeworpen dat het basisbeginsel van de Europese Richtlijn niet compatibel was met de Belgische WHPC.  De Europese richtlijn bepaalt immers dat geen enkele “verkoopsbevorderende techniek” in zijn geheel als principe mag verboden worden, maar dat steeds in elk individueel geval moet gekeken worden of een bepaalde actie 1/ op een zwarte lijst van verboden technieken staat die in de Richtlijn beperkend is opgesomd, 2/ mogelijk misleidend of agressief is ten aanzien van de consument of 3/ een oneerlijke handelspraktijk uitmaakt ten aanzien van consumenten of concurrenten.  Voor wat betreft de koppelverkoop werd geoordeeld dat het verbieden van de techniek in zijn geheel strijdig is met de richtlijn en dat in elk individueel geval moet gekeken worden of een koppelverkoop onder één van bovenvernoemde categorieën valt.  Is dit niet zo, dan is de actie principieel toegelaten.

 

Het is volgend op deze arresten dat de ganse Belgische WHPC werd vervangen door de WMPC (al werd er wel reeds eerder aan gewerkt en zagen vele juristen de Europese bui al langer hangen).

 

Wat heeft dit alles nu te maken met ZEB en de sperperiode?

 

Wel, in de nieuwe WMPC werd het basisprincipe van de Richtlijn dat alle “verkoopsbevorderende technieken” in principe toegelaten zijn, behalve als ze op de zwarte lijst staan, misleidend of agressief zijn of oneerlijk zijn wel overgenomen, maar onder druk van middenstandsorganisaties werden een aantal principiële verboden uit de WHPC tóch opnieuw overgenomen, waaronder … het verbod om gedurende enkele weken voorafgaand aan een wettelijk vastgestelde soldenperiode kortingen te afficheren, oftewel: de sperperiode.

 

Nochtans was het voor eenieder duidelijk dat dit op een gegeven ogenblik problemen zou opleveren met de Europese Richtlijn.  Het afficheren van kortingen is immers een “verkoopsbevorderende techniek” en zulke technieken kunnen niet categoriek verboden worden (gedurende bepaalde periodes van het jaar in dit geval).  Hierop werd reeds in 2009 door vele juristen gewezen en ook ikzelf gaf destijds al in een presentatie voor de Unie van Belgische Adverteerders aan dat ook de sperperiode geen lang leven meer beschoren was.

 

Wat is het gevolg van dit alles?

 

Het was dus wachten tot één onderneming bereid was de solidariteit tussen de middenstanders te verbreken en de Belgische wetgeving zou aanvechten.  Het is immers zo dat een Richtlijn een datum voorziet waarbinnen deze correct moet omgezet zijn in nationaal recht.  Indien die datum verstrijkt, krijgt de Richtlijn directe werking en “overschrijft” zij als het ware het nationale recht: de rechter die met een juridische discussie geconfronteerd wordt, is verplicht het nationale recht ter zijde te schuiven en de tekst van de Richtlijn toe te passen.

 

Met andere woorden: indien de Belgische soldenwetgeving en de regeling met betrekking tot de sperperiodes inderdaad strijdig zijn met het Europese recht, mag de Belgische rechter de Belgische wet niet meer toepassen.  De facto bestaan de sperperiodes dan niet meer.

 

Wat vandaag gebeurt is precies dat de Belgische rechter vaststelt dat er mogelijks een probleem is van strijdigheid tussen het Europese recht en het Belgische recht en bijgevolg aan het Europees Hof van Justitie vraagt om dit probleem te bekijken en mee te delen of de Belgische wet wel of niet strijdig is met de Europese Richtlijn.  Als dit het geval is, kan de Belgische rechter de Belgische WMPC niet meer toepassen en kan kledingketen ZEB niet veroordeeld worden voor inbreuken op de soldenwetgeving.

 

Hoe moet het nu verder?

 

Totdat het Europees Hof van Justitie uitspraak heeft gedaan, kan de Belgische rechter geen arrest vellen.  Ook nieuwe procedures door andere partijen voor andere rechters zullen hetzelfde lot ondergaan.  De facto kan dus voorlopig niemand veroordeeld worden voor het niet naleven van de regeling op de sperperiodes.

 

Een uitspraak van het Europees Hof van Justitie is pas voor begin 2012 te verwachten.

 

Tot dan is het aan de ondernemer zelf om zijn risico in te schatten.  Als hij er zoals ZEB blijkbaar, en zoals ondergetekende, zeker van is dat de huidige regeling op de sperperiode de Europese test niet doorstaat, kan hij perfect beslissen om in de sperperiode toch al solden te afficheren: de Belgische wetgeving blijft immers in deze logica dode letter vanwege strijdigheid met de Richtlijn en het is alsof de sperperiode niet bestaat.  De herhaalde aankondigingen in de pers dat solden aankondigen voor 3 januari verboden is, is in die zin niet juist.

 

Indien echter volgend jaar het Europees Hof van Justitie toch zou oordelen dat de Belgische sperperiode ongewijzigd behouden kan blijven dreigen natuurlijk enkele veroordelingen met terugwerkende kracht te volgen voor zij die tussen vandaag en dan hun nek uitsteken…

 

Wordt vervolgd…